Search

Follow me

RSS feed

Archive

2019   2018   2017   2016   2015   2014   2013   2012   2011   2010   2009   2008   2007   2006  

Welcome /  Blog

Blog 2019

2019-12-doc1 Compendium Financieel Recht

Het onlangs verschenen boek Compendium Financieel Recht beoogt een handleiding te zijn bij de eerste bestudering van het financiële toezichtsrecht. De redacteuren zijn alle drie hoogleraar Financieel recht, verbonden aan de Universiteit van Leiden. Dit compendium, waarvan de tekst in juli 2019 is afgesloten, is opgezet als eerste kennismaking. Het is geschreven voor studenten die dit vak volgen – dat zullen masterstudenten zijn – als ook voor in de praktijk werkzame juristen. In het licht van de stormachtige ontwikkeling van het terrein dat in twee decennia tot een waar vakgebied is uitgegroeid, is het een goede keuze dat de omstreeks vijftien auteurs werkzaam zijn in de wetenschap, bij financiële ondernemingen, in de advocatuur, in de rechterlijke macht en bij de toezichthouder. De meeste hoofdstukken zijn niet door een enkele auteur geschreven, maar door een combinatie van auteurs met een wetenschappelijke werkkring of werkzaam in de praktijk respectievelijk auteurs met ervaring dan wel rather new kids on the block. Ook dat lijkt me een welkome aanpak.
De kern van het boek wordt gevormd door een systematische behandeling van de voornaamste regels van het financieel (toezicht)recht. Dit geschiedt verspreid over tien hoofdstukken. Uitgangspunt vormt het recht zoals dat thans luidt op basis van (de implementatie in het Nederlandse recht van) de voor niet-kenners amper te doorgronden Europese aanduidingen MiFID II/MiFIR, CRD IV/ CRR, AIFMD/UCITS en Solvency II. Dit is voor ieder die met het vak begint natuurlijk lastige materie, die ook zijn eigen jargon kent. Met een bruikbaar trefwoordenregister wordt een lezer naar het desbetreffende onderdeel geleid.
Ik loop kort de hoofdstukken langs.

Het boek begint met een hoofdstuk over de grondslagen van het financieel recht en de structuur en kernbegrippen van de met 1209 (!) wetsartikelen uit haar krachten gegroeide Wet op het financieel toezicht (Wft). De structuur van de Wft komt aan bod evenals de sterke Europeese sturing en doordeseming van het financiéle toezichtsrecht. Een tiental andere, ook privaatrechtelijke bronnen van Nederlandse financieel recht wordt summier aangeduid, waarbij ik – getrouw aan mijn eigen vakmatige insteek – de Faillissementswet miste. Het hoofdstuk sluit af met een bescheiden paragraaf over de toekomst van het financieel recht. Gezien het doel van het compendium kan de redacteuren in overweging worden gegeven een stuk toe te voegen: een korte weeergave van de stand van de ontwikkeling van de wetenschapsbeoefening van het financieele recht, waaronder ook welke leerstoelen aan welke universiteiten er zijn, vermelding van enkele hand- en studieboeken voor verdere studie, vermelding van (internationale) vaktijdschriften en postacademische (Europese) opleidingen.
Het volgende hoofdstuk stelt beleggingsdiensten centraal, met aandacht voor financieringsprodukten, effecten, derivaten, rechten van deelneming en beleggingsobjecten. Volgens mij een inzichtelijke must read, die verrassend – andere hoofdstukken kennen deze niet – afsluit met een eigen literatuurlijst.  
In de volgende vijf hoofdstukken komen verschillende financiële ondernemingen aan bod, met in de hoofdstuk-aanduidingen: bank- en kredietwezen, beleggingsondernemingen, beleggingsinstellingen, pensioenbedrijf en verzekeringsbedrijf. In deze hoofdstukken komt telkens de definiering van kernbegrippen per financiële onderneming aan bod, specifieke regelgeving, vergunningproblematiek, belangrijkste taken van zo’n onderneming en het toezicht daarop. Bij bank- en kredietwezen las ik duidelijke, korte stukken over onder meer concernfinancieringsmaatschappijen en het depositogarantiestelsel, bij beleggingsinstellingen over de aansprakelijkheid van de bewaarder. Het verzekeringsbedrijf is enorm gereguleeerd. Ik verklap dat ik in 1988 hoorcolleges (traditioneel) handelsrecht gaf, met onder meer het organisatorische verzekeringsrecht: het verzekeringsbedrijf en het toezicht daarop. Daar was je in een kwartiertje mee klaar, omdat je toen – bij wijze van spreken – met een grote bek en 2 miljoen guldens een verzekeringsmaatschappij kon oprichten. Het Compendium maakt duidelijk dat die tijd ver en ver achter ons ligt.
Daarna wordt een hoofdstuk gewijd aan kapitaalmarkten, met als onderwerpen onder meer het aanbieden van financiële instrumenten aan het publiek (prospectusverplichting) en de (toelating tot de) handel en handelsplatvormen van financiële instrumenten.
Het boek sluit af met hoofdstukken over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van marktpartijen en toezichthouders en de taken en bevoegdheden van deze laatsten.

Het Compendium Financieel Recht biedt een betrouwbare en inzichtelijke eerste systematische kennismaking met het financieel (toezicht)recht en is bedoeld voor zowel studenten als praktijkjuristen (voor eigen studie of te gebruiken bij in house cursussen). Het boek sluit nauw aan bij het onderwijs van een master Financieel recht en het is in Leiden voorgeschreven. Medio november sprak ik enkele studenten die het vak wel lastig vonden maar erg tevreden waren met het boek.  
Uit het Woord vooraf blijkt dat keuzen moesten worden gemaakt. Dat is ook inherent aan een Compendium. Betaaldiensverleners en de afwikkeling van transacties in financiële instrumenten vielen buiten de boot. Bladerend door het trefwoordenregister dacht ik (omdat ik daarmee zelf afgelopen jaar werd geconfronteerd) aan behandeling van onderwerpen als geheimhouding en vertrouwelijkheid, de rol arbitrage in het financieel recht, de rol van de SER bij het ontwikkelen van het Nederlandse pensioenstelsel en de aansprakelijkheid van rating agencies.
Bij de term ‘compendium’ denk ik nog altijd aan een wat vlakke, opsommerige, schets- en ganzenbordmatige behandeling (voor de niet zo jongeren: niveau Klapper Stein). Accuraat tot in het detail, maar weinig uitleg en weinig dwarsverbanden. Met dit compendium is deze idee aan herijking toe. Er is ruimte gevonden voor toelichting en voor uitvoerige verwijzingen naar regelgeving en rechtspraak. Ik vroeg me wel af of het boek studenten in de universitaire masterfase ook voldoende aanzet tot het doordenken van uitdagende, soms complexe vraagstukken. Het kan ook zijn dat het vrij technische karakter van het financieel toezichtrecht zich daarvoor minder leent. Enfin, een kundig en bruikbaar boek als deugdelijke introductie zowel voor student als praktijkjurist.

M. Haentjens, W.A.K. Rank, R.P. Raas, Compendium Financieel Recht, Den Haag, Sdu 2019. ISBN 9789012404471.
Produktinformatie https://www.sdu.nl/shop/compendium-financieel-recht.html

Noot: dit boek ontving ik kosteloos van de uitgever met het verzoek om het aan te kondigen of te bespreken op mijn blog op www.bobwessels.nl.

2019-11-doc8 English, not German, will be the EU language

Ursula von der Leyen, the new European Union Commission's chair, as one of her first actions, has announced today that English will remain the preferred language for communications within the EU. Although Brexit is looming, the German language is out. However, the English spoken on the continent has room for improvement, she said, and Chairperson von der Leyen has accepted a four-year phased plan for what will be known as Euro-English (EUnglish for short). In the first year, “s” will be used instead of the soft “c”. Sertainly, sivil servants in all member states and will resieve this news with joy, as will the insolvensy and bankruptsy world. Also, the hard “c” will be replaced with “k”. Not only will this klear up konfusion, and improve kross-border koordination and kommunikation, but will enjoy kreditors kommittee's drinking kups of koffee. In the sekond year, the troublesome “ph” will be replaced by “f”. This seremonial step will make words like “fotograf”, “filantropik” and “foenix” 20 per sent shorter. In the third year, publik akseptanse of the new kontinental alfabet under konstruktion kan be expekted to reach the fase where more komplikated and kreative changes are possible. Governments will enkourage the removal of double letters, which have always ben difikult and a deterent to akurate speling. Also, al wil agre that the horible unatraktive mes of silent “e”s in the language is disgrasful. They would go. By the forth yer, peopl wil be reseptiv to desisions such as replasing “th” by “z” and “w” by “v”. During ze fifz yer, ze unesesary “o” kan be dropd from vords kontaining “ou” and similar changes vud of kors be aplid to ozer kombinations of leters. After zis fifz yer, ve vil hav a reli ensibl riten styl. Zer vil be no mor trubls or difikultis and evrivun vil find it ezi tu understand ech ozer. Ze drem vil finali kum tru. [reworked 'office joke' of around 2000, when I worked in London]

2019-11-doc7 CERIL highlights impact on work of UNCITRAL

The Conference on European Restructuring and Insolvency Law (CERIL) is an independent non-profit, non-partisan, self-supporting organisation of persons
committed to the improvement of restructuring and insolvency laws and practices. Recently, after consultation with its conferees, a report was finalised by Nora Wouters (Dentons, Belgium) and professor Stephan Madaus (Halle, Germany) (with support of Ilya Kokorin, Associate CERIL-researcher from Leiden Law School). The Report plus a CERIL statement 2019-3 on a Reply to UNCITRAL's Model Law on Enterprise Group Insolvency has been published on the CERIL website (www.ceril.eu).

CERIL highlights the recent work of UNCITRAL on a Model Law on Enterprise Group Insolveny (MLG). Following a consultation earlier this year on a draft of the MLG – to which CERIL and the European Law Institute (ELI) made a joint contribution – this report analyses the amendments made in the final text, as adopted by UNCITRAL’s Commission in July 2019. In line with recommendations made in the CERIL-ELI Report 2019-1, multiple amendments were incorporated contributing to a more effective functioning of the UNCITRAL Model Law on Enterprise Group Insolvency. The relate to the proper formulation of a group representative, the so-called synthetic proceedings, references to soft law sets with principles for cross-border cooperation and communication, and the appointment of a group representative and available relief. You can find the final statement attached and here:
http://www.ceril.eu/news/ceril-statement-2019-3/

As chair of CERIL I am delighted that our group, with its unique independent perspective, finds time and energy to contribute to long-term improvements in restructuring and insolvency. The full underlaying Report 2019-1 and the Statement 2019-3 are available on CERIL’s website www.ceril.eu. This website also contains information about the organisation of CERIL and its activities. In the meantime, professor Reinout Vriesendorp, secretary of CERIL (info@ceril.eu) welcome the opportunity to further inform you about CERIL or the contents of Report 2019-1 and Statement 2019-3.

2019-11-doc6 Bestuursverbod en openbare registratie

Al ruim drie jaar kan een bestuurder van een rechtspersoon die in faillissement fraudeert of die zich schuldig heeft gemaakt aan wanbestuur in de aanloop naar een faillissement langs civielrechtelijke weg een zogenoemd bestuursverbod worden opgelegd. In een artikel dat binnenkort in Tijdschrift voor Openbaar Bestuur (TvOB) verschijnt, bespreek ik de kernpunten van de wettelijke regeling art. 106a-106e Faillissementswet: wie kan het verbod verzoeken, jegens wie geldt een verbod en wat is de definitie van 'bestuurder'in de regeling. De vijf gronden waarop het bestuursverbod kan worden toegewezen worden uitvoerig uiteengezet, evenals de gevolgen van een dergelijk verbod en enkele aanvullende vragen over bijvoorbeeld schorsing of tijdelijke aanstellen van een (andere) bestuurder, het verbod tegen een bestuurder die in meer rechtspersonen een functie heeft en de moeilijke weg naar openbare registratie van bestuursverbod.
na die uiteenzetting kom ik tot de volgende conclusies.

De invoering van de regeling in de Faillissementswet, gebaseerd op de Wet civielrechtelijk bestuursverbod, is een stap van de wetgever om een groot maatschappelijk kwaad te keren. Het is een eerste stap. Renssen bijvoorbeeld betwijfelt de effectiviteit van de regeling, omdat sluwe fraudeurs een faillissement zullen ontwijken door te kiezen voor een turboliquidatie, waardoor het civielrechtelijk bestuursverbod buiten beeld blijft. De effectiviteit lijdt ook onder de afwezige c.q. onduidelijke effecten van een in Nederland opgelegd bestuursverbod in het buitenland, terwijl fraudebestrijding wordt verzwakt door de hier te lande onzekere effecten van een in het buitenland uitgesproken (equivalent van een) bestuursverbod.

Drie jaar na de introductie komt het aantal gevallen in de rechtspraak mij niet hoog voor. Voor zover zaken worden aangedragen lijkt de rechtspraak met art. 106a-106e Faillissementswet zonder veel problemen uit de voeten te kunnen. In de regeling zelf signaleerde ik hiervoor enkele onduidelijkheden. Een structureel probleem is, maar dat is niet alleen beperkt tot het bestuursverbod, de honorering van het werk van de curator. Een duidelijke en adequate financiering van het werken met een ‘lege boedel’ wordt al jaren als probleem gesignaleerd. Onvoldoende honorering voor het werk voelt temeer als een gemis nu de taak van de curator bij het instellen van en procederen over een bestuursverbod haaks staat op de sinds jaar en dag ingesleten traditionele taak van de curator om de boedel te beheren en te vereffenen ten behoeve van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Het bestuursverbod dient daartoe niet, maar het instellen ervan komt wel ten laste van de boedel.

Een ander punt van kritiek is onlangs nog eens onder de aandacht gebracht: de openbare registratie van het bestuursverbod. Een eind augustus 2019 ingediende wet tot aanpassing van de regelgeving inzake handelsregistratie licht hier een tipje van de sluier op. De Handelsregisterwet 2007 zal worden gewijzigd naar aanleiding van de evaluatie van die wet en enkele andere onderwerpen, zulks ter versterking van de rechtszekerheid in het economisch verkeer en de kwaliteit van het handelsregister, opdat de slagvaardigheid van de Kamer van Koophandel bij de uitvoering van de handelsregistertaak wordt vergroot. In een na art. 28 Handelsregisterwet in te voegen artikel 29 zijn drie leden voor het onderwerp van het bestuursverbod relevant. Zij komen erop neer dat bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) zal worden bepaald welke gegevens in verband met de in art. 106b lid 3 Fw bedoelde uitspraak bij het handelsregister worden geregistreerd en welke daarvan door eenieder kunnen worden ingezien (lid 3). Deze geregistreerde gegevens blijven gedurende acht jaar na het verstrijken van een bestuursverbod beschikbaar voor een bij AMvB aangewezen bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in art. 1 lid 1 onderdeel a van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in het kader van de uitoefening van zijn wettelijke taak of bevoegdheid (lid 4). De betrokken bestuurder of commissaris kan bij de Kamer een opgave doen om ervoor te zorgen dat de geregistreerde gegevens juist en volledig bij het handelsregister zijn geregistreerd (lid 5).
In de kern zal de genoemde AMvB dus regels bevatten over welke gegevens openbaar zijn en dus door ieder kunnen worden ingezien. Ook zal de AMvB regelen welk orgaan na acht jaar na het verstrijken van het bestuursverbod beschikbaar zijn, niet meer openbaar, maar beperkt tot en alleen voor integriteitsbeoordeling.
De vraag rijst ook of de stigmatiserende werking van een bestuursverbod, mede in het licht van het schurende effect met art. 10 Grondwet en art. 8 EVRM, niet heroverweging verdient. Moet dit essentiële punt van openbaarheid niet in de wet zelf, maar in een AMvB wordt geregeld? In dat perspectief zou een ruime rechterlijke bevoegdheid (art. 106b lid 4: de rechtbank regelt zo nodig alle overige gevolgen van het door haar uitgesproken bestuursverbod) een mogelijkheid kunnen bieden om passende maatregelen te nemen. Velen kijken uit naar de in 2021 te verwachten resultaten van een evaluatie.

2019-11-doc5 Insolvency and ethics

In June 2019, INSOL International released under the banner “Towards 2021” its Ethical Principles for Insolvency Professionals. These principles are the result of work carried out by a working group of a forward-looking task force chaired and they are intended to serve as general guidance on a set of common issues affecting insolvency professionals. Members of INSOL International are actively involved in nearly all initiatives of other organisations in the industry and have issued several technical studies on all sorts of topics. With the INSOL Ethical Principles, the federation, I think for the first time, touches on the core of the profession: a laudable initative.

Six INSOL Ethical Principles have been put forward, covering (i) integrity, (ii) objectivity, independence and impartiality, (iii) professional/technical competence, (iv) professional behaviour, (v) remuneration and (vi) practice management (involving six specified policies). Each Principle is accompanied by a commentary explaining its intention and providing certain examples of the principles, as well as the meaning of several terms used, for which a glossary is added. The commentary and glossary are helpful sources putting more flesh on the bones of the principles. The stated purpose of the principles is ‘to suggest best practices for members, inform and educate INSOL Int’l members about such best practices, assist them in implementing best practices by providing professional and ethical guidance and, finally, provide an instructive reference for stakeholders and disciplinary bodies.’ An INSOL Int’l member is understood to be an individual member that, according to applicable law, practice and regulation, is authorised to accept an engagement or appointment in respect of an estate. So, the principles will have over 10,000 addressees!

Given its ‘global’ aim, the working group is conscious about the nature of the principles, providing guidance based on international standards of conduct. Here I am struggling with the methodology followed to ascertain these international standards, at least as far as this is very briefly explained in the Ethical Principles. Has there been a survey sent along to (a selection of) all of the members? Have there been regional groupings of members – and others involved, such as judges or regulators – discussing certain elements in a regulatory regime, such as integrity, (lack of) independence, conflict of interests or, when a member is appointed, purchasing goods with a discount from a retailer in financial distress, or the threat of malafide financiers or power-loving politicians? And/or has a study been done in the rather over-populated world of existing principles and guidelines in this area, with the aim of looking for coherence, or for that matter contrasts, between the principles and the recommendations of other standard-setting organisations? To mention a non-exhaustive list of existing sets of alternative principles, there are, for example: a set of 10 recommendations by the United Nations Commission on International Trade Law’s (UNCITRAL) Legislative Guide on Insolvency Law (2004); several principles from the World Bank’s Principles for Effective Insolvency and Creditor/Debtor Regimes (last revised in 2015); the European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) Insovency Office Holders Principles (2007); the INSOL Europe Draft Statement of Principles and Best Practices for Insolvency Office Holders (2014); and the recent 2018 IAIR Principles, developed by the International Association of Insolvency Regulators. Given the high standards INSOL Int’l sets, it is presumed that such sources will have been consulted in the making of the Ethical Principles, but it’s unfortunate that it was not elaborated on either in the Principles, their commentary, or in their introduction.

The goal in establishing the principles is to enhance and protect the integrity of the insolvency profession and create a framework that is fair, effective, practical and readily understood. Some principles may impose a higher standard than existing jurisdictional legal requirements in certain countries, the related document says. It is for the individual to find out what ‘higher’ means, since it lacks an explanation. Where the law is silent, or ambiguous, the principles provide guidelines to clarify best practices. Evidently, the principles contain ‘soft law’ and they make that clear by saying that to the extent the principles conflict with local rules or laws, they are not intended to supersede such rules or laws. The clue is hidden under the heading ‘principles-based’. The INSOL Ethical Principles are in line with the trend of not presenting an overly detailed legal rule-based text, rather a principle-based text for guidance. They demonstrate an awareness that a rule-based set of best practices cannot solve all governance problems. At the same time, this design may relate well with the great diversity of members and practices within INSOL’s global network.

For a principle-based code to be a vivid document one may expect a review within three or five years. Practitioners (and regulators) are not waiting for more rules and extensive legal documentation. They need clear and accessible guidance. The motto is not to introduce more rules trimmed down to checklists. Instead of more rules, practice wants better rules that are or can be complied with properly. This all sounds ‘soft’ but it is also ‘hard’: ethics is human work and therefore a part of the organisational culture in which someone works. It is necessary to be able to enter into a dialogue about these principles and to work from values ​​and norms in practice that are reflected in these principles. Soft law codes can contribute to a behavioural compass and can help IPs and those involved in their conduct, such as regulators and judges, to determine their course. The working group stresses that the INSOL Ethical Principles themselves are there to assist in guiding members’ decisions and actions.

The group also has a message for the insolvency industry’s bystanders: in addition to assisting members, this guidance may also assist stakeholders in setting reasonable expectations by better understanding certain limitations affecting insolvency advisers and/or office holders in carrying out their duties. Naturally, the working group recognises that the regulation of the insolvency profession varies in different jurisdictions, and the conduct of insolvency practitioners may be subject to review by disciplinary tribunals and courts in accordance with local requirements. The intention, however, is that the principles may be used by regulators, tribunals and courts to assist with the identification and enforcement of acceptable insolvency practices and professional standards.

It seems to me an omission not to specifically address national legislators. In the Ethical Principles ‘regulators’ are defined as professional bodies. In non-common law countries, that’s only half-way, especially in code-adoring jurisdictions where ‘law’ is the basis of all ‘good’ things. For this reason, in 2017, based on a comparison of 13 European jurisdictions, the European Law Institute (ELI) recommended that EU Member States should lay down expressively in their laws that any professional performing restructuring and insolvency tasks must be impartial, independent and competent. Anticipating arguments that would be used for instance in Germany and the Netherlands, the ELI added that being recognised as a lawyer or an accountant does not in itself sufficiently guarantee the standards of performance necessary for the proper exercise of restructuring and insolvency tasks. It recommended that European and national legislators should set professional and ethical standards for insolvency practitioners and ensure that the relevant professional bodies are consulted and involved in the creation of such standards. The ELI also said EU member states should take into account best practices for appropriately regulated professional parties as set out in principles and guidelines on regulation of the restructuring and insolvency profession developed or adopted by European and international non-governmental organisations active in the area of restructuring and insolvency. According to the ELI, those standards should at least contain rules on licensing and registration, supervision and discipline, qualification and training, an appointment system, work standards during administration, legal powers and duties, remuneration, reporting and communication and ethical working standards – including rules on conflict of interests and a complaint procedure.

The INSOL Ethical Principles do not cover all these subjects. Guidance will be needed too when dealing with the role of an IP acting on legislative duties, e.g. relating to privacy, anti-fraud and anti money laundering; and on his role regarding innovative technologies (crypto and EU Payments Services Directive payments); and when a ’debtor-in-possession’ (DIP) acts in an IP rule and the vague relation with its rights and duties under national corporate law. 

The last two decades, professional and ethical principles and recommendations have been greatly developed. They now make an important contribution to the highly desirable professionalisation of IPs, judges, regulators and, for that matter, legislators. This was emphasised in the recently adopted EU Directive on restructuring and insolvency, which recommended the adoption of codes of conduct by practitioners. INSOL International’s Principles may be a relevant source. However, the evolutionary process is never complete. Professional and ethical governance is a living structure: it is never finished, constantly requires maintenance and is inherently in need of development. It must be clear that the various principles and codes influence each other and this influence must be made visible. Legislation cannot do everything, but unfortunately, sets of soft law principles and codes are not a panacea for unpleasant events and disgracing incidents. New rules do not automatically lead to better behaviour.

It is not uncommon for soft law drafters, when the job is done, to pick up their day-to-day routine again. Their work is finished and the file closes: the drawer clicks, the lap-top is switched-off. That is unwise. Soft law constantly needs improvement. Continuing improvement also serves as a workable tool demonstrating that the profession takes its professional responsibility seriously and learns from inevitable mistakes. In this way, the INSOL Ethical Principles can continue to make a dynamic and positive contribution, reflecting on the intrinsic values ​​and behaviour of IPs and contributing to enhanced confidence and respect in the profession, not only from courts and from creditors and debtors, but also from the general public. As a provisional conclusion, the INSOL Ethical Principles are a good start, however, they can gain a better reputation by explaining the methodology followed. INSOL International, as the originator, should embark on a route of robust communication to inform and educate its members regarding the expectations that others may have. It could also put as a priority on its agenda, rounds of national and regional discussions on the use and practice, benefits, limitations, and disadvantages of its principles. It should also report at regional and global conferences its actions considered and steps taken; develop a system for seeing where any gaps are and how to provide guidance for them; and discuss and introduce a system of monitoring and enforcement for the creation of an ethical culture and the shifts it introduces to the profession. Ethics should not become a checklist. To guide the conduct of practitioners, the Principles require a process for their continuous improvement and refinement. This should not come as a surprise, as you know, ethics is a verb.

This is a slightly adapted version of a regular column I am writing for Global Restructuring Review (GRR) on a topic of cross-border restructuring and insolvency in a European context. GRR is a subscription-only publication, but below is a link to the full journal. My colomn, written  with the input of Gert-Jan Boon, PhD-researcher from Leiden University, appeared in September 2019 on GRR’s website at http://globalrestructuringreview.com